Het Graafschap Kuinre en zijn heren
Overal in Nederland ontstonden vorstendommen. Behalve de grotere
zoals Utrecht, Holland, Brabant en Gelre waren er ook vele
betrekkelijk kleine graafschappen en heerlijkheden die zich autonoom gedroegen
en zich weinig aantrokken van de keizerlijke macht.
Friesland (het huidige Friesland en het noordelijk deel van Groningen) was
door de keizer gezamenlijk aan de graaf van Holland
en de bisschop van Utrecht in leen gegeven. Het lukte hen echter niet om dit
landsheerlijk gezag te doen laten gelden.
De Friezen erkenden het gezag van de Duitse keizer, de bisschop van Utrecht en
de graaf van Holland wel maar duldden in de
praktijk op lokaal niveau geen enkel direct gezag boven zich.
Op de grens van dit 'vrije' Friesland en het Oversticht, dat in handen was
van het bisdom Utrecht, is de heerlijkheid Kuinre ontstaan.
De eerste vermelding van de naam Kuinre komen we tegen in een oorkonde uit 1118.
Hierin verkrijgt de Utrechtse bisschop Godebold
door ruiling een 'swechus juxtta Cunre' met enige hoeven. In de oorkonde wordt
een weide bedoeld die gelegen was aan de rivier
de Kuinder, maar de locatie hiervan is niet precies bekend. In 1165 schonk de
Utrechtse bisschop Godfried van Rhenen aan de
Friezen van Lammerbroek een stuk grond nabij het huidige Kuinre. Deze schenking
was naar alle waarschijnlijkheid de eerste aanzet
tot de kolonisatie in de tweede helft van de 12e eeuw en daarmee van het
ontstaan van de nederzetting.
De heerlijkheid Kuinre die in de loop der tijd ontstond moet ongeveer de grootte
gehad hebben van de huidige Noordoostpolder.
Geschreven bronnen uit de periode van het eind van de 12 tot en
met het begin van de 15e eeuw verwijzen naar de aanwezigheid
van verschillende heren of ridders van Kuinre en het bestaan van een 'bergh' te
Kuinre. Rond 1197 is er in de bronnen sprake van
ene 'Heynric die Crane', een bisschoppelijke ministeriaal (ambtman), die vanuit
zijn versterking de Friezen bestookte.
In dat jaar werd zijn burcht bij een aanval van graaf Willem van Friesland (de
latere graaf van Holland) met de grond gelijk gemaakt.
In 1204 verzoenden de graaf van Holland en de bisschop van
Utrecht zich en kreeg de Heer van Kuinre zijn goederen en rechten terug.
Tussen 1213 en 1263 zijn er in de historische bronnen geen vermeldingen bekend
van ridders of heren van Kuinre.
Vreemd genoeg word heer Jan van Kuinre in 1331 door graaf Willem III van Holland
beleend met onder andere de heerlijkheid Kuinre,
waartoe de 'alde berch' bij Kuinre behoorde. De belening omvatte tevens een
gedeelte van het strategisch gelegen eiland Urk en
een deel van Schokland. De heren van Kuinre hadden een grote machtspositie,
omdat de handelsroutes van en naar de IJsselmonding
langs hun territorium liepen. Het kasteel Kuinre was bovendien ook nog eens
uitermate strategisch gepositioneerd ten opzichte van de
rivieren de Kuinder of Tjonger en de Linde.
Emmeloord (op Schokland, dat nog tot het midden van de 15e eeuw aan het vaste
land verbonden moet zijn geweest)
diende tevens als uitvalsbasis voor hun rooftochten op de Zuiderzee.
De heren van Kuinre sloegen in de late 13e en 14e eeuw munten
zonder daartoe het recht te bezitten. Deze munten waren bovendien
nabootsingen met een lager zilvergehalte van munten van machtiger vorsten. Uit
de vondsten blijkt dat de munten van Kuinre
voornamelijk hebben gecirculeerd in de gebieden rond de Oostzee en de Noordzee:
Skandinavië, de Noord-Duitse kust, Denemarken,
Friesland, Holland en Engeland.
Behalve door deze kernactiviteiten van piraterij en valsemunterij
lieten de Heren van Kuinre zich in de late Middeleeuwen ook
op het politieke vlak gelden. De burcht van Kuinre had in de oorlogen die de
graaf van Holland Albrecht van Beieren aan het einde van
de 14e eeuw voerde om Friesland te veroveren een belangrijke rol gespeeld. In
deze periode hadden de heren van Kuinre kans gezien om
naast hun leenrechterlijke relatie met de bisschop van Utrecht ook allianties
met zowel de graaf van Holland als de Friezen aan te gaan.
Met deze tegenstrijdige belangen waren ze voor de bisschop een onbetrouwbare
bondgenoot.
In het begin van de 15e eeuw verloren de heren van Kuinre de
machtspositie die zij zich in voorgaande eeuwen hadden toegeëigend.
Bisschop Frederik van Blankenheim kocht in 1407 de heerlijkheid Kuinre van heer
Herman en diens zonen Herman en Hendrik.
Bij de aankoop is sprake van 'het huis met de berg en de heerlijkheid te water
en te land'. De burcht van Kuinre bleef in de 15e eeuw
van groot strategisch belang omdat hij aan de grens lag van de territoria van de
bisschop van Utrecht en de graaf van Holland.
uit:
Burchten op de bodem van de Zuiderzee.
Archeologisch onderzoek naar twee kastelen in de Noordoostpolder bij Kuinre
door Peter C. de Boer