De twee Kuinderburchten zijn in 1943 en 1951, kort na de drooglegging van de Noordoostpolder archeologisch
                                onderzocht en genieten beide vanaf 1978 de status van archeologisch monument. De eerste burcht is in 1948
                                gedeeltelijk gereconstrueerd. In 1988 is deze reconstructie aangepast.      
                                Sinds kort is er, mede naar aanleiding van de in het Poldermuseum Nieuw Land te Lelystad gehouden tentoonstelling
                                'Kuinre: Bagdad van het Noorden', hernieuwde belangstelling voor de burchten. Dit heeft ertoe geleid dat de
                                Stichting Burcht(en) van Kuinre is opgericht. Deze stichting heeft zich tot doel gesteld om, in het kader van de
                                toeristische ontwikkeling van het oostelijke deel van de Noordoostpolder, te komen tot een eventuele reconstructie
                                en herbouw van de burcht(en). Om een verantwoorde presentatie te kunnen onderbouwen heeft men gekozen voor
                                het doen van nieuw archeologisch en historisch onderzoek.
                                Uit het onderzoek blijkt dat het oudste vondstmateriaal van het terrein van burcht I uit de 12e eeuw dateert.
                                In de eerste bewoningsfase lijkt sprake te zijn van een vlaknederzetting met greppels/slootjes die te maken kan
                                hebben met de ontginning van het terrein.

Pas in de tweede bewoningsfase, die in het laatste kwart van de
12e 13e eeuw ligt, zijn er aanwijzingen gevonden voor de bouw
van een versterking. In deze periode is een heuvel opgeworpen
met daaruit oprijzend een bakstenen ringmuur.
De jongste opgraving en de herinterpretatie van de
opgravinggegevens van Modderman hebben uitgewezen dat
rond dit middenterrein waarschijnlijk zes grachten hebben gelegen.
Het tracé van de grachten en de vondst van enkele
verbindingsgrachten lijken er op te wijzen dat er aan de zuidzijde
van het complex mogelijk een voorburcht aanwezig is.

Het complex is tot in de tweede helft van de 14e eeuw in gebruik gebleven. In deze periode zijn enkele grachten gedempt en werd in
ieder geval één nieuwe gracht uitgegraven. Er zijn ook aanwijzingen dat een oudere gracht in deze periode mogelijk nog open lag.
Het kasteel valt in te delen bij de mottekastelen.

Op ongeveer 600 meter ten noordoosten van de eerste burcht is, meer landinwaarts, aan de overzijde van de rivier een tweede burcht
gebouwd. Op basis van het jongste aardewerk van burcht I en het oudste aardewerk van burcht II kan de overgang van het ene naar
het andere kasteel in de tweede helft van de 14e eeuw worden geplaatst. Deze overgang is dus nog onder leiding van de heren van
Kuinre geschiedt en niet op last van de bisschop van Utrecht zoals op basis van historische bronnen en de oude opgravingen werd
aangenomen.
Bij de opgravingen is gebleken dat ook de tweede burcht een ronde vorm en een heuvel heeft gehad. De tweede burcht was naar alle
waarschijnlijkheid ook een mottekasteel.
Op basis van de versnijdingen, het vondstmateriaal en de vulling van de grachten zijn drie fasen te onderscheiden. In de eerste fase
(tweede helft 14e eeuw) bestond het complex uit een ronde heuvel met een diameter van 45 meter, waar mogelijk vier concentrische
grachten omheen lagen. Aan de rand van de heuvel zijn resten van een cirkelvormige houten paalstelling gevonden die waarschijnlijk
niet alleen als grondkering van het aardlichaam, maar ook als beschoeiing van de gracht heeft gediend. Aan de zuidoostzijde zijn een
aantal sporen gevonden die tot een brug behoorden.

In fase 2 (14d/15a - 15e eeuw) werd het middenterrein mogelijk tot een doorsnede van 50 meter uitgebreid en werden de grachten uit
fase I gedempt. Rond het middenterrein werden drie nieuwe grachten gegraven. In de binnenste, en breedste, gracht zijn houten
palen van een brug gevonden. Deze verbonden het middenterrein met een zone tussen de eerste en tweede gracht. In deze fase is
mogelijk een aanwijzing gevonden voor de aanwezigheid van een voorburcht. De buitenste gracht boog, ten opzichte van de twee
binnenste concentrische grachten, aan de oostzijde naar buiten.
In het begin van de 16e eeuw (fase 3) werden aan de westzijde van het complex een aantal paalstellingen opgericht. In deze
paalstellingen kunnen minimaal drie, maar mogelijk vier fasen worden onderscheiden. Een van de palen kon dendrochronologisch
gedateerd worden op 1516 ± 6 AD. Mogelijk hebben de houtconstructies als waterkering dienst gedaan. In deze periode was alleen de
binnenste brede gracht nog in functie. In de tweede gracht bleken kuilen te zijn uitgegraven die wellicht ook een verdedigende functie
kunnen hebben gehad.
De burchten van Kuinre lagen uiterst strategisch gepositioneerd ten op zichte van de rivieren de Kuinder of Tjonger en Linde en de
handelsroutes van diverse hanzesteden over de Zuiderzee. Hun verdediging was gebaseerd op een heuvel met daar uit oprijzend of
bovenop staand een ringmuur Tevens hadden ze een uitgestrekt stelsel van watervoerende grachten / sloten en wallen. Om deze
grachten watervoerend te houden moest men het complex op een laag punt in de omgeving aanleggen. Illustratief hiervoor is dat de
tweede burcht in 1433 zelfs werd buitengedijkt. In het open, vrijwel boomloze, landschap waarin de burchten lagen moeten deze
uitgestrekte complexen grote indruk gemaakt hebben.
Het zadenspectrum laat zien dat in de directe omgeving geen akkerbouw zal zijn bedreven. De veeteelt zal een groter bron van
inkomsten hebben gevormd. In het bottenspectrum komen vooral de botten van gedomesticeerde dieren, zoals rund, varken en
schaap / geit, voor. Men heeft ook wel wilde dieren gegeten. Voornamelijk vogels, maar ook edelhert en ree stonden op het menu.
Vanaf mogelijk het laatste kwart van de 12e eeuw tot aan 1531 heeft men bij de burchten van Kuinre steeds vastgehouden aan hetzelfde
bouwconcept, die van het mottekasteel. Het mottekasteel was voor de landsheren en de hoge adel een veel gebruikt type burcht voor
de opbouw en de consolidatie van hun territorium. Later echter gingen zij veelal over tot de bouw van de meer moderne ronde of
veelhoekige en vierkante kastelen. De lage adel bleef gebruik maken van het mottekasteel. De burchten van Kuinre zijn illustratief
voor deze ontwikkeling.